Zoeken
Praktijkvoorbeeld
10 september 2019

Hoe gaan gidsen in Kazerne Dossin om met polarisatie?

De gidsen in Kazerne Dossin, een museum over Holocaust en Mensenrechten, kunnen zich nu en dan verwachten aan gepeperde uitspraken als ‘Waarom zwijgen jullie over de Holocaust in Gaza?’ of ‘De Joden doen vandaag toch net hetzelfde als de nazi’s toen’. Hoe ga je daar als gids mee om? Marjan Verplancke, hoofd van de dienst publiekswerking, legt uit hoe de gidsen hierop worden voorbereid.

Verplancke: ‘De ervaring leert ons dat een defensieve of juist heel duidende reactie van de gids meestal contraproductief werkt. Die opmerkingen zijn vaak een uiting van een onderliggende polarisatie. Dat kan zijn ‘links – rechts’, ‘moslim – jood’ of ‘activisten – establishment’. Met feiten komen en uitleggen waarom je beide contexten moeilijk ‘hetzelfde’ kan noemen, is vaak brandstof voor die polarisatie. Dan denken de bezoekers: ‘Zie je wel, dat Jodenmuseum staat aan de kant van Israël’, of net ‘dit museum verloochent zijn Joodse ziel’.

Daarom geeft Kazerne Dossin de gidsen het model van Bart Brandsma mee. Het is immers hun taak om in deze polarisatie geen brandstof te leveren, maar juist in het midden te blijven staan. Dat is uiteraard makkelijker gezegd dan gedaan. Daarom werd een lijst met do’s en don’ts opgesteld.

Daar staat bijvoorbeeld in hoe belangrijk het is je houding mediative te houden: dat wil zeggen open en uitnodigend. Dat doe je bijvoorbeeld door de emotie achter de uitspraak te erkennen. Zo kan je zeggen: ‘ik zie of voel dat dit je erg raakt’.

Duidelijk maken dat je de actualisering kan waarderen is ook een optie. Je kan dan zeggen: ‘Ik vind het knap dat je de mechanismes uit het verleden die tot genocide hebben geleid tracht te herkennen in onze tijd. Dat is net wat we in dit museum proberen te stimuleren.’

Het helpt om steeds in de verbindende wij-vorm te spreken, en uitspraken te vermijden als ‘wij zien het zo en zij zien het zo’ of ‘hoe is dat bij jullie?’.

Marjan Verplancke, Hoofd Publiek Kazerne Dossin

Het helpt om steeds in de verbindende wij-vorm te spreken, en uitspraken te vermijden als ‘wij zien het zo en zij zien het zo’ of ‘hoe is dat bij jullie?’.

Je kan steeds je eigen gekleurdheid erkennen door te zeggen ‘Pas op, ook ik sta hier natuurlijk niet volledig neutraal of ‘ik heb het wel moeilijk met wat jij zegt’.

Uiteindelijk is het belangrijk om tot een gemeenschappelijk en verbindend vraagstuk te komen. Denk bijvoorbeeld aan: ‘Dit roept bij ons allemaal emoties op’, ‘Wij zijn hier allemaal op zoek naar oplossingen’ of ‘Zijn we niet allemaal vragende partij voor een objectievere verslaggeving van dit conflict?’.

Zo leg je de nadruk op het belang van meerstemmigheid en van verbindende verhalen. Focus daarbij vooral op het midden. Bijvoorbeeld: ‘In dit conflict is het vooral van belang om ook de genuanceerde stemmen die vrede willen, aan het woord te laten. We kunnen ons niet voor de kar laten spannen van de extremen die het conflict nog groter willen maken.’