Zoeken
Onderzoeksresultaat
05 januari 2021

We praten meer over dan met elkaar

3 op 5 gemeenten (58%) geven aan signalen van polarisering te ontvangen, dat zijn diepgaande tegenstellingen tussen mensen of groepen. Dat is een toename met 15% in vergelijking met twee jaar geleden. Dat blijkt uit een bevraging van de Vereniging van Vlaamse steden en gemeenten (VVSG) bij haar leden. Sociale media werken polarisering in de hand. Gemeenten alleen hebben vaak te weinig armslag om hier gepast mee om te gaan. Bij alle overheden en instanties moet het dringende besef en de bereidheid aanwezig zijn om dit probleem aan te pakken, stelt de VVSG.

Diverse signalen van stad tot platteland:

3 op 5 gemeenten (58%) geven aan signalen van polarisering te ontvangen. Dat is een toename van 15% in vergelijking met twee jaar geleden. Die signalen zijn erg divers, gaande van acties van dierenrechtenactivisten tot spanningen binnen een bepaalde gemeenschap omwille van buitenlandse politiek. De meest zichtbare vorm van polarisering draait wel rond etnisch-culturele verschillen, vaak op basis van nationaliteit. Ongeveer 1 op 3 gemeenten benoemt dit zelfs als het grootste spanningsveld in de gemeente. Radicalisering gesteund op een Islamistische ideologie blijft voor de meeste gemeenten de grootste bezorgdheid met daar tegenover de aanwezigheid van anti-islam en extreem-rechtse groeperingen. Beide groepen voeden een sterk wij-zij denken. ‘Dat uitgesproken wij-zij gevoel vinden we terug in zowel centrumsteden als landelijke gemeenten,’ aldus Wim Dries, voorzitter van de VVSG. Zo kan bijvoorbeeld de komst van een nieuw asielcentrum een bron van spanning zijn. Ook de huidige pandemie verdeelt groepen in de samenleving nog sterker op diverse vlakken.

Blaffende honden bijten niet (steeds):

Lokale besturen die signalen opvangen, doen dat hoofdzakelijk via sociale media (80%), het lijkt het kanaal bij uitstek om te ventileren, frustraties te uiten en in sommige gevallen over te gaan tot bedreigingen en het aanzetten tot haat. De toon wordt harder. Door in gesprek te gaan met deze personen achterhalen steden en gemeenten de persoonlijke achtergrond en drijfveren. Vaak is een extreme uitlating een uiting van onderliggende problemen. ‘Het gaat vooral om meer praten over en minder praten met elkaar,’ klinkt het. De aanpak van haatspraak wordt een grote uitdaging de komende jaren.

Lokale expertise verzilveren:

Steden en gemeenten deden de afgelopen jaren veel kennis op. Ze willen die expertise samen met lokale en bovenlokale partners en overheden inzetten om een beleid te voeren dat gericht is op het voorkomen van geweld en haat én op het (her-)insluiten in de samenleving. De meeste gemeenten antwoorden op signalen van radicalisering met hun dagdagelijks (sociale) beleid, bijvoorbeeld rond participatie en opvoedingsondersteuning. Sinds 2018 moet iedere gemeente een lokale integrale veiligheidscel (LIVC-R) hebben, een lokale overlegstructuur met de lokale politie, de gemeente en sociale actoren. Toch blijft het LIVC-R in een groot deel van de gemeenten beperkt tot een politioneel-bestuurlijk overleg en blijven te veel sociale partners weg. ‘Dat is geen goede evolutie, polarisering bestrijdt je niet enkel met een veiligheidsaanpak, heel vaak zijn ook sociale maatregelen aangewezen. Het LIVC-R is de plaats bij uitstek om cases vanuit die verschillende hoeken te bekijken’, aldus VVSG. Daarom pleit de VVSG voor een sense of urgency bij alle partners en overheden. ‘Onze samenleving evolueert niet op een goede manier. Lokaal staat men dicht bij de mensen en ziet men dit het eerst en van zeer dichtbij. Een zeker urgentiebesef moet nu ook aanwezig zijn bij beleidsmakers en partners zodat we het tij kunnen keren, aldus Dries.

Monitoring en evaluatie:

Het is niet evident om te weten of lokale acties vandaag ook effectief impact hebben. Een Europees project waar de VVSG deel van uitmaakt, moet leiden tot bruikbare instrumenten voor de evaluatie van de LIVC-R. Ook het Vlaams Actieplan Radicalisering en Polarisering en de bijkomende middelen, bieden hefbomen om met deze problematiek met alle partners aan de slag te gaan. ‘De onderbuik is geen instrument om de temperatuur te meten in de gemeente, we moeten onze aanpak ook op een geloofwaardige en degelijke manier kunnen verbeteren en verantwoorden.’